Het berghok

il y a
5 min
0
lecture
251

Autrice amateur et correctrice professionnelle. Parent de chats. En règle générale, je suis incapable d'écrire des textes courts. Parfois, cependant, des miracles se produisent  [+]

Disponible en:

© Short Édition - Toute reproduction interdite sans autorisation

Gewone kinderen zijn bang voor hun kastdeur of voor hun kamerdeur. Ik was doodsbang voor die van het oude berghok achter in de tuin.

We gingen het berghok nooit binnen. Hoe dan ook hing er een zwaar hangslot aan de klink, en niemand had ooit de moeite genomen dat door te zagen. Het hok was ooit door een eigenaar met groene vingers gebouwd, en het bleef daar staan, jaar na jaar meer vervallen. Mijn ouders hadden tijd noch zin om een moestuin of bloemperk aan te leggen, alleen leenden ze maandelijks de grasmaaier van de buren.
Maar het berghok bleef gewoon staan. Wat maakte het ook uit? Het deed niemand kwaad, zoals het daar stond, eenzaam, bouwvallig, op het eind van het terrein.

We kwamen bijna nooit achter in de tuin. Op zomeravonden, wanneer mijn ouders familie of vrienden uitnodigden, vroegen de andere kinderen vaak of we voetbal wilden spelen, ver van de tafel van de grote mensen. Mijn blik dwaalde dan af naar die vermolmde houten deur. Ik meende geluiden te horen, gefluister, gekraak, gekrabbel. Alsof iets eruit probeerde te ontsnappen.
Op een avond liet ik de bal wegglippen, hij rolde tot voor de ingang van het hok. Mijn vriendjes dachten dat ik uit luiheid protesteerde. ‘Je hebt de bal gemist, jij moet hem nu halen.’ Een onherroepelijk vonnis. Ik zag de bal tegen de deur liggen. En achter de deur, die hoe langer hoe dichterbij kwam…
Ik legde mijn twee handen op de bal. Er gebeurde helemaal niets, alleen stroomde het zweet over mijn voorhoofd en had ik een akelig gevoel in mijn maag.

Een wrijvend geluid, alsof een zware masse zich over de aarden vloer sleepte. Boven mijn hoofd zag ik de vuile, ondoorzichtige ruitjes in de bovenkant van de deur zitten. Ik keek omhoog.
Het was geen dier.
Het was geen mens.
Het was evenmin iets tussen beide in.
Heel even, een hartenklop, kruiste mijn blik zijn gapende oogkassen, ontwaarde ik de vorm van zijn verschrompelde kop, die eruitzag als droge, gebarsten aarde of als oud perkament. Daarna verdween het Ding. Het wist dat ik het had gezien. Het wist dat ik wist.

Ik vluchtte op een drafje weg. Natuurlijk plaste ik in mijn broek, terwijl mijn vriendjes me uitlachten. Maar dat kon me niets schelen.
Ik schreeuwde mijn ouders toe dat ze iets moesten doen, dat ze het monster moesten ombrengen, dat ze moesten vluchten, ver weg, ergens waar het ons niet zou weervinden.
‘Rustig lieverd. Het bestaat alleen in je verbeelding. Of zijn het soms… vleermuizen? Dat zou toch kunnen? Ja, dat moet het zijn. Je hebt de dieren die daarbinnen leven vast gestoord.’
Het was geen dier. Maar zij weigerden te luisteren.
Die avond stond ik in het donker voor het raam van mijn slaapkamer en keek naar de plek in de tuin waar je, dat wist ik, het berghok had en de deur, waarachter het Ding gevangen zat. Ik stelde me voor dat het ontsnapte, dat zijn lange gele nagels tussen de houten deur en de muur gleden om het hangslot door te snijden. Dan zou het Ding de deur opendoen en me komen halen.
Het wist waar het me kon vinden.
Het wist dat ik dat wist.

De volgende dag bij het ontbijt zei vader op schalkse toon: ‘Weet je wat, vanochtend knippen we het hangslot door! Ik heb een knijptang in de garage liggen, daarmee moet het lukken. Je zult zien, heus, dat het een familie vleermuizen is. Hoewel ik me afvraag hoe ze daar binnen kunnen…’
‘Misschien zijn het ratten?’ opperde moeder.
‘Dat zou erger zijn,’ reageerde papa luchthartig.
Ik reageerde zoals de meeste doodsbange kinderen: ik zei niets. Ik had geen idee wat ik moest zeggen. Ik had hen al gewaarschuwd voor het monster. Als ze me niet geloofden, dan wist ik uit ervaring dat ik de sceptische houding van mijn ouders op geen enkele manier aan het wankelen kon brengen.
‘Kom je met me mee, ventje? Zo zul je met je eigen ogen kunnen vaststellen dat je nergens bang voor hoeft te zijn!’

Jaren aan één stuk heb ik dit gesprek in mijn hoofd afgespeeld. Een gewone zomerochtend. Het was licht. In een verhaal gebeurt er nooit iets slechts als het licht is. Slechte dingen gebeuren als het donker is. In een verhaal.
Ik had meer moeten protesteren. (Ze zouden niet hebben geluisterd.)
Ik had het opnieuw moeten uitleggen, steeds opnieuw. (Ze zouden me niet hebben geloofd.)
Ik had moeten zeggen dat ik me vergist had. (Ze zouden niet achteruit zijn gekrabbeld.)
Ik had moeten zeggen dat ik alles had verzonnen. (Ze zouden niet zijn geweken.)

Mijn vader trok me dus mee in de tuin. Er stond een stralende zon. Monsters kunnen overdag niet buitenkomen, vooral niet op zo’n mooie dag.
In een verhaal.
Een verhaal dat je jezelf vertelt om je angst te overwinnen.
Een verhaal dat je de illusie geeft dat je in veiligheid bent.
Hoe dan ook weigerde ik dichter bij het berghok te komen. Ik bleef op een paar meter afstand, schuin tegenover de ingang, om niet recht tegenover de deur te staan. Tegenover het Ding. Ik weigerde door de ruitjes te kijken, die in de loop der jaren smerig waren geworden. Mijn vader verweet het me, half boos, half geamuseerd, hij hield de tang in zijn hand vast.
‘Wat een bangerik! Oké, ik doe het nu.’
‘Nee!’
Hij moest lachen om mijn gesmoorde angstkreet. In mijn nachtmerries hoor ik hem nog altijd lachen. Ik zie nog altijd hoe hij de staaf van het hangslot doorknipt. Ik zie het hangslot geruisloos in het gras vallen. Knarsend, moeizaam schuift de deur open.

Ik beweeg niet. In het berghok is het donker (zoals in een verhaal over monsters). Mijn vader gaat naar binnen en verdwijnt uit mijn gezichtsveld. Mijn blik wordt vastgehouden door de oude harken die achterin tegen de muur staan.
Een zucht. Papa die zijn adem inhoudt. Daarna zachtjes: ‘Je had gelijk.’
Daarna niets meer.
Langzaam, een geluid van stappen.
Iets heeft het berghok verlaten.
Het ding heeft het gezicht van mijn vader.
‘Ik maak een grapje,’ mompelde het Ding met een doffe stem, die niet de stem van mijn vader is. ‘Het moeten ratten zijn. Kom, jongen… We gaan naar huis.’

Ik heb niets tegen mijn moeder kunnen zeggen. Ze heeft het geraden.
Ik heb geen idee wat het Ding van plan was. Het was niet echt geloofwaardig. Het Ding ging bij ons aan tafel zitten voor het avondeten, op de plaats van papa, in het lichaam van papa. Het Ding begon stilletjes, houterig, het eten te verorberen dat moeder had klaargemaakt.
En stilletjes, houterig, beantwoordde moeder mijn doodsbange blik. Stilletjes, houterig, verdween ze in de keuken. Stilletjes, maar met een moordende kracht plantte ze met vleesmes in de nek van het Ding, de nek die vroeger papa’s nek was geweest. Het ding bracht geen enkele klank uit.
‘Als ze ernaar vragen,’ zei ze, ‘moet je zeggen dat hij ons sloeg. Oké?’

We vonden een ander hangslot voor de deur van het berghok, we bevestigden het zwijgend, zonder dat we naar binnen durfden te kijken. Het oude hout bracht krakende geluiden voort. Of misschien werd dat geluid voortgebracht door klauwen, die over de muren schraapten.

Het berghok werd nooit verplaatst. Het is daar gebleven. De deur en het hangslot eveneens.
Ik heb mijn leugen zo vaak herhaald dat ik me soms afvraag waar het verzinsel ophoudt en waar de gruwel begint. Een zinnig mens zou zeggen dat ik herinneringen heb verdrongen, dat ik het verhaal over het Ding heb verzonnen om het beeld levendig te houden van een liefhebbende vader.
Intussen ben ik dertig geworden. De leeftijd die mijn vader had.
Over mijn hand loopt een kerf.
Het Ding is weggegaan. Het Ding is dood, het ligt onder een grafsteen waarin mijn familienaam gegrift staat. Toch ben ik bang. Opeens ben ik opnieuw acht jaar.
Ditmaal verzamel ik mijn moed en hef mijn arm. Het hangslot valt geruisloos in het gras. Eindelijk duw ik de deur open, de knarsende, door de jaren gehavende deur.
Het is donker in het berghok. Er staan stoffige harken, door insecten opgevreten handschoenen.
Een krom schepsel staart me uit zijn lege oogkassen aan. Een lijf dat doet denken aan droge aarde. Lange, gele nagels zoals ik ze me heb voorgesteld. Maar ik ben niet meer bang.

Ik heb me altijd schuldig gevoeld over datgene wat mijn vader is overkomen. Ik kom mijn schuld inlossen, zijn plaats innemen en hem mijn plaats afstaan. Ik glimlach naar het schepsel.

‘Dag, papa.’

-- Traduite par Katelijne De Vuyst

251

Vous aimerez aussi !

Très très courts

Obusite

Stéphane Sogsine

Le noyer a semé ses feuilles en grosses plaques que la pluie colle sur l’herbe et que le vent ne parvient pas à ressusciter. Ne reste que ses longs doigts tordus qui griffent la grisaille d’un... [+]

Très très courts

Le bout de la nuit

Patrick Barbier

L’impact des gouttes sur le métal de son arme tendue à bout de bras focalisait le regard de la silhouette sombre, qui semblait absorber tout atome de lumière sous la pluie battante. Les... [+]