Het horloge

il y a
6 min
0
lecture
277

Né en Champagne dans les années 50, je me suis installé récemment en Bourgogne après quelques années passées en Bretagne. Je me définis plus comme un raconteur d’histoires que comme un ... [+]

Disponible en:

© Short Édition - Toute reproduction interdite sans autorisation

Traduite par Katelijne De Vuyst

Toen ik zes was, werden mijn tweelingzusjes Lea en Cecile geboren. Moeder was uitgeput door hun dubbele verschijning, en voor ik het wist, besloten mijn ouders mij, hun moeilijke kind, om bestwil tijdens de zomervakantie naar mijn grootouders te sturen. ‘Moeilijk’ was het adjectief dat mijn familie in die tijd het vaakst gebruikte om me te omschrijven. Maar naargelang de omstandigheden en de toegeeflijkheid van mijn opvoeders en hun entourage namen de epitheta die me ten deel vielen het hele spectrum in tussen ‘levendig’ en ‘onhandelbaar’. 
Dus nadat mijn moeder me had gedragen, gevoed en geliefkoosd, mochten die twee grienende wichten me haar liefde ontstelen. Ik had wrokkige gevoelens en beschouwde mijn verwekkers als twee gemene, wrede wezens die bereid waren me in het achterlijkste boerengat achter te laten. Thomas, mijn rottige grote broer, was blij dat hij eindelijk van zijn vervelende broertje verlost was en gedroeg zich als de geniepige medeplichtige aan het complot.

De dag van het vertrek – ja, ik zou mijn ouders hun wreedheid betaald zetten en ik triomfeerde innerlijk omdat mijn gedrag hen steeds meer ontredderde – deed ik alsof ik ze niet hoorde of beperkte me tot nietszeggende knikjes en een amper hoorbaar gebrabbel als ze iets zeiden. Pas na de zevende halte op onze tocht die er in totaal negen telde, draaide ik bij, zo lastig kreeg ik het om mijn verdriet terug te dringen, dat toenam naarmate het moment van het afscheid dichterbij kwam.
Toen mijn betreurde tirannen me achterlieten, probeerde ik manmoedig de vochtige, gesnotterde blijken van verdriet in te dammen, waarvan mijn grootouders de ontroerde getuigen waren. Oma, die ik toen haar lang geheim gehouden bijnaam nog niet had gegeven, glimlachte me meelevend toe, terwijl opa me schouderklopjes gaf en me een uitlaatklep bood voor mijn verdriet: ‘Toe maar, kleintje, huil maar. En als je uitgehuild bent, zul je een man zijn.’ De dagen erna schaamde ik me diep over mijn zielige uitingen van smart.
De ballingschap die ik zo hard had gevreesd, verdiende al de ophef niet die ik had gemaakt. Als ik nu en dan weer het huilerige jongetje van de eerste dag werd, bleek mijn zomerse verblijf uiteindelijk vrij aangenaam. Zo begon ik mama, papa, Thomas, Lea en Cecile allengs weer naar waarde te schatten.

Vanaf het begin van het schooljaar werd de gunstige invloed van de voorbije vakantie op mijn temperament bewezen door mijn resultaten.
Een nieuwe zomer brak aan. Ik weet niet of het lag aan mijn epistolaire talent, maar het antwoord op de paar regels die ik zorgvuldig, openlijk hopend op een nieuwe logeerpartij, had geschreven, liet niet op zich wachten. Op een juliavond, mijn wangen nog nat van de vele zoenen waaronder mijn gezinsleden me hadden bedolven, begon ik aan mijn tweede vakantie op het platteland.
Tussen opa en mezelf groeide een tedere verstandhouding. Ik denk dat alles begon toen oma me op een middag haar eeuwige komkommersalade voorzette. Op besliste, strenge toon had ze de deugden van de vitamines beschreven en geëist dat ik mijn bord leegat. Mijn lieve opa, die vast maling had aan de zogeheten vitamines, leidde haar af door te doen alsof hij een brandlucht rook en, gebruikmakend van de paniek, kieperde hij stiekem de inhoud van mijn bord in dat van oma. Zodra zij, voor wie ik toen de bijnaam ‘Oma-Komkommer’ bedacht, terug aan tafel was, verslond ze met een schalkse glimlach haar dubbele portie cu­cur­bi­ta­ceeën. Ik had de grootste moeite om mijn hilariteit te verbergen, die bij elke knipoog van opa – duidelijk bewijs van onze goede band – weer opflakkerde. Pas veel later begreep ik welke toegeeflijkheid er achter oma’s glimlach had gescholen en ik vraag me af of ik niet het slachtoffer was van een smoes: op die manier werd ik ontzien zonder dat Oma-Komkommers gezag werd aangetast.

Voor de zondagse mis trok oma haar verschoten schort uit en verdween daarna om haar beste kleren aan te trekken. Ze wurmde zich in haar strenge jurk en zette een grijsvilten hoedje op. Ze droeg het met een plechtig air, maar ik vond het bespottelijk. Opa ging nooit met haar mee. Soms verweet hij oma haar kwezelarij door Victor Hugo te citeren: ‘Het paradijs van de rijken is gebouwd op de hel van de armen.’ Een andere keer schreeuwde hij zijn ongeloof uit: ‘Het paradijs, fabeltjes, en de hel, die heb ik in Verdun leren kennen.’ Hij vertelde me vaak over de gruwel van de gevechten, het constante wapengedruis dat soms werd overstemd door het ijselijke getier van zijn gewonde kompanen, de eindeloze keten van brancards en voertuigen tussen het front en de achterste linies, de gebrekkige rust, de angst die je moest overwinnen. Hij zette zijn woorden kracht bij met lange stiltes, en ik vraag me nog altijd af of hij die aanwendde om zijn pijnlijke herinneringen te bedwingen of om meer gewicht te geven aan wat hij zei. Als hij zijn levensverhaal niet vertelde, liet hij me de sprookjes van Perrault horen, nodigde me uit bij de gebroeders Grimm of keerden we in het gezelschap van Jules Verne terug naar de moderne tijd. Opa was een fantastische verteller. Uren aan één stuk was ik in de ban van zijn welsprekendheid. Toch onderbrak Oma-Komkommer, die een uitgesproken voorliefde had voor beeldspraak, hem nu en dan en spotte: ‘Je verveelt hem met je woordendiarree, Charles!’ Voordat opa zijn verhaal hervatte, rolde hij achteloos een sigaret en wachtte tot ‘zijn kwelduivel’ weer weg was. 

Elke middag nam opa me mee op een eindeloze wandeling. Van weilanden tot open plekken, van moerassen tot riviertjes – hij onthulde me alle geheimen van het platteland dat hij op zijn duimpje kende. Ik, stadskind dat nog niet begreep welke kennis en rijkdom zijn beroep van boswachter hem had bijgebracht, begon in te zien hoe goed hij de natuur kende. Ik werd omgeschoold tot krekelkweker, werd sterk als een houthakker, verwierf het geduld van een ornitholoog en de precisie van een botanist. Wellicht had ik een overgeërfde band met de aarde, want moeiteloos maakte ik me de zowel de spreektalige als de wetenschappelijke Latijnse namen eigen. Als we een boomstronk of een lapje groen tegenkwamen, lasten we een pauze in, die ons door opa’s zwakke hart werd opgelegd. Wat was opa een plaaggeest, en dat ondanks zijn leeftijd! Maar ik gaf hem een koekje van eigen deeg. Voor de grap trok ik dan aan zijn horlogeketting, zodat die uit zijn bruinfluwelen broekzak tevoorschijn kwam. Vaak sloot hij zijn sterke hand om mijn pols, zodat het door mij begeerde voorwerp veilig bleef. De rust van de vredige, harmonische natuur werd op dat ogenblik opgeschrikt door onze schaterlach. We keerden moe maar opgetogen terug, soms onder de afkeurende blikken van Oma-Komkommer, die boos was omdat ze voor het eten op ons had moeten wachten.
Heel wat zomers volgden, vol rijke emoties, gedeelde geheimpjes, dagelijkse lachbuien – getuigen van de tedere vriendschap die ons verbond.

Toen ik de leeftijd bereikte waarop de liefde met de vetpuistjes wedijvert, was opa erg verzwakt. Op een dag in februari begreep ik uit de blik van mijn moeder, zonder dat ik het telegram hoefde te lezen dat ik na mijn terugkeer van school op de schoorsteen zag staan, dat opa’s zwakke hart niet meer klopte, dat het de strijd had opgegeven. De zomer zou nooit meer zijn zoals vroeger. Zo maakte ik kennis met de onrechtvaardigste, wreedste kant van het leven. Die avond vocht ik in mijn hoofd zelf de slag bij Verdun uit. Ik vluchtte weg in mijn kamer en liet mijn tranen de hele nacht de vrije loop.
De jaren gingen voorbij en elke zomer bracht ik oma een bezoek. Ik werd overvallen door weemoed, maar de komkommers die ik vroeger verafschuwde, beschouwde ik voortaan als een lekkernij.
Op mijn twintigste verjaardag verklapte ik oma de bijnaam, die ik haar sinds het voorval met de komkommers had gegeven, en zij schonk me het horloge van de man met wie ze haar leven had gedeeld. Met een door de emotie vervormde stem fluisterde ze: ‘Je hebt dezelfde initialen als hij. Ze staan aan de binnenkant gegrift. Hij had het je zo graag zelf willen geven.’

De jaren erna voelde ik me de vrijwillige schipbreukeling van een tijd waarin gekwetste harten door verdriet worden verscheurd, ik luisterde naar de zachte weeklacht van mijn geheugen. Op die momenten pakte ik opa’s horloge vast en wond het op, alsof ik het zwakke hart van mijn held uit Verdun weer wilde laten kloppen. Dan voelde ik hoe zijn sterke, levendige hand mijn pols omsloten hield. Ik voelde het echt.

277

Vous aimerez aussi !