Louise - Michel

il y a
5 min
0
lecture
236

Pendant près de dix ans, j’ai été auteure, journaliste et présentatrice pour de nombreuses émissions de télévision spécialisées dans l’animation japonaise, le cinéma de genre, la  [+]

Disponible en :

© Short Édition - Toute reproduction interdite sans autorisation

‘Hola! Pas op! Maar... Niet te geloven... Kijk toch waar je je voeten zet! Je hebt even weinig respect voor mijn persoontje als voor een… een hondendrol! Nou, hou nu even je grote mond, je hoeft ook niet zo groen te lachen omdat ik me vastklamp aan je schoenen. Je fraaie Nikes die je tijdens de koopjes hebt bemachtigd. Hop! Ik spring en om niet te vallen grijp ik je veters stevig vast, want, jeetje, je bent van het haastige soort, heus!’
Het is de schuld van het leven. Het leven dat te snel gaat. Ik weet wat het is. Honderd per uur, nooit minder, ja, in vele gevallen nog sneller. En hier zijn we dan, we proberen te lopen maar eigenlijk moeten we hollen, want anders gaat alles aan je neus voorbij en zitten we niet meer in de kopgroep, en dan, beste vriend… Dan zit je in de shit, er is geen ander woord voor! Je zit in de shit en je belandt zoals ik bij de afgedankte troep op het trottoir en niemand ziet je nog staan. En de hele chagrijnige grijze massa kruipt voor, en je zegt bij jezelf: ‘Verdomme! ik ben onzichtbaar’ en je kijkt naar je vingers, je vertrouwde dikke knuisten die er altijd al waren en je ziet ze haarscherp. Je voelt je opgelucht want even dacht je dat je compleet gek was geworden, maar nee. Je twee handen zijn er, voor je, en je vergist je niet want je ziet ze met je eigen ogen.
Dat was de spreekwoordelijke druppel, de Nike te veel, ik ben het zat al die lui te zien die doen alsof ze rennen, en ik in hun kielzog. Trouwens, ik ben toch ook een mens, verdorie! Ik wil me niet de hele tijd op de kop laten zitten en doen alsof de onzichtbare man ben, want ik ben wel degelijk zichtbaar.
Ik weet het, ik ben klein. Heel erg klein. Niet oneindig klein, niet zo dat ik onzichtbaar ben, dat niet. Althans nóg niet. Mijn lengte? Zoiets vraag je niet en daarbij, als ik daar voortdurend aan moet denken, krijg ik complexen. Dat zou niet mogen, want je bent nu eenmaal zoals je bent en dat kun je niet veranderen… Maar oké, als je maar twee en een halve centimeter lang bent, is relativeren – wat je voortdurend op tv hoort – niet zo makkelijk. Oeps… Oké, nu heb ik het in elk geval gezegd.
De vrouw hierboven ziet me niet eens, ook al hang ik stevig aan haar Nikeveters vast. Op de trap van metro-ingang Louise Michel klem ik ze uit alle macht vast om niet onder de voeten van de andere reizigers te belanden of erger nog, in de geulen waarin de venten urineren.
Ik bijt op mijn tanden … Alles, maar alsjeblieft geen pis… Ik knijp mijn ogen zo hard dicht dat het pijn doet, mijn vuisten zien wit van de spanning en ik ben zo bang dat het een paar tellen duurt voor ik begrijp dat de grote voeten nu stilstaan. Ze verzetten geen stap meer. Ze zal me verjagen als ongedierte, ik weet het zeker, maar nee, ze buigt wat door de knieën om me aandachtig te bekijken. In de buurt let niemand op ons. Ze hebben geen tijd om stil te staan en de tijd te verliezen, die ze voortdurend proberen in te halen.
Het meisje buigt zich voorover. Ik hef angstvallig het hoofd en zie haar gezicht dat rond is als een bowlingbal, haar rode wangen en hazelnootkleurige ogen achter vergrotende brillenglazen. Ik zeg ‘hallo’ en probeer me normaal te gedragen, en zij kijkt me met een verblufte, stomverbaasde blik aan. Want dat ik praat is niet normaal. Ik herhaal ‘hallo!’ op een luidere toon, misschien heeft ze me eerst niet gehoord.
Ze zet haar handen in de heupen en vraagt: ‘Je bijt toch niet?’ Wat een grap! Denkt ze nu echt dat ik een rat ben of een ander stuk ongedierte dat in het riool leeft? Ik lach om te laten zien dat ik niet boos ben. Ik antwoord van nee, nog altijd lachend, en ze reikt me de hand. Die voelt koud, een beetje droog aan, en ze trekt me in één ruk omhoog tot voor haar gezicht. Haar mond wordt breder, haar blik minder scherp, ook al heeft ze nog altijd abnormaal grote ogen. We kijken elkaar aandachtig aan. Zij kan me van top tot teen zien, ik zie alleen een extreme close-up van haar gezicht. Maar achter haar loepglazen ontdek ik een charmante persoon.
Zoals ze naar me kijkt, nou… ik krijg er tintelingen van in mijn benen. De prikkelingen verspreiden zich over mijn hele lichaam. Als kittelingen, en voordat ik weet wat er me overkomt… Poef! In één klap ben ik haast vijf centimeter gegroeid! Geen idee wie van ons tweeën het meest verbaasd is. Ze fluistert: ‘Wat ben jij een vreemd mannetje.’
Inderdaad. Het timbre van haar stem hecht zich aan mijn huid, en de adem die tussen haar tanden ontsnapt, geurt naar viooltjesbonbons. In de holte van haar handen laat ze me in haar tas glijden, tussen haar laptop en haar dossiers die er allesbehalve vermakelijk uitzien. We gaan door het draaihek. Gelukkig is er geen controleur in de buurt! ‘Word je niet te veel dooreen geschud daar beneden?’ Ik zeg van nee en ga met opgetrokken knieën zitten, lekker warm in haar tas waarin haar parfum hangt.
In afwachting van de metro gaat ze zitten. Ik kom overeind in de tas en kijk haar recht in de ogen, om zeker te zijn. ‘Kun je me zien?’ Ze knikt. De oude dame naast haar, die een gerimpelde appeltjeshuid heeft, kijkt haar argwanend aan. Het kan ons wat. Ik ben dolblij dat ze me ziet, dat ze met me praat.
‘Ik kon met niemand praten, daardoor voelde ik me zo vreselijk eenzaam…’
‘Ik begrijp het’, zegt ze zachtjes.
Het oude wijf kijkt haar aan, kijkt daarna naar mij en schudt haar hoofd alsof we iets erg onfatsoenlijks doen.
‘Je moet oppassen’, zeg ik.
‘Waarvoor?’
‘Voor de eenzaamheid.’
Ze antwoordt niet, maar haar ogen moedigen me aan om door te gaan.
‘Als je te lang alleen blijft, loop je gevaar te worden uitgewist.’
‘Hoezo?’

Shit! Ik moet van nul af aan herbeginnen. En mijn benen, mijn armen, mijn romp, ik heb overal jeuk. Ik spring uit haar tas en ben opnieuw een dikke vijf centimeter gegroeid.
‘Je bent weer langer geworden.’
‘Ja, en zolang je met me praat, blijf ik groeien.’
‘Ach zo?’
‘Ja. En het zorgt er ook voor dat jij niet wordt uitgewist.’
Ze knikt. Ze begint het te snappen.
‘Als ik nog een paar dagen had doorgebracht zonder met iemand te praten, zou ik zo klein zijn geworden dat ik helemaal was verdwenen. Ik had geluk dat ik me aan je schoenen kon vasthouden en dat je me kon zien. Ik begon te geloven dat ik echt onzichtbaar was.’
In haar kin wordt een kuiltje zichtbaar: tien centimeter extra! Haar handen worden warmer en hop: opeens ben ik twintig centimeter langer. Het gaat van klak, krak, bloep, maar het doet geen pijn. Even later ben ik zo groot als een kind van vijf. Ze knoopt haar zijden sjaaltje los om te vermijden dat ik aanstoot zou geven.
En ze doet haar verhaal: de pesterijen op het werk, haar kat die voortdurend op haar sofa plast, haar vader met wie ze niet meer praat maar die ze mist, haar man die in zijn eentje tv kijkt en die ze mist, haar dromen die ze diep in haar binnenste bewaart en die ze mist, maar het is persoonlijk, dus meer kan ik er niet over zeggen. Ik luister alleen maar. Iets anders kan ik niet doen, want het is klaar als een klontje dat niemand naar de arme vrouw luistert, en dat al vele jaren lang. Ze zet haar bril af en huilt. Ik voel me wat gegeneerd. Het is vast mijn schuld, ik heb de sluizen van haar verdriet opengezet. Ze pakt mijn hand vast. Mijn hand, heel nietig in die van haar. Ik groei. Ik word langer dan zij. Lang genoeg om haar in mijn armen te nemen en stevig te omhelzen. Haar hoofd tegen mijn borst. Zo blijven we zitten en verschillende metro’s, volgestouwd met mensen die geen oog hebben voor elkaar, braken hun vracht uit. Al die eenzaamheid overspoelt ons. Om elkaar niet kwijt te raken houden we elkaar vast in een innige omhelzing. Als ze niet langer huilt, zegt ze dank je wel. Ook ik zeg dank je wel. We lachen elkaar toe en zij stapt het treinstel in. Door het raam neemt ze afscheid. Haar lippen zeggen nogmaals dank je wel. Ik keer terug naar huis, mijn hart overspoeld door een warm geluk.

-- Traduite par Katelijne De Vuyst

236

Vous aimerez aussi !

Très très courts

Le Grandpé

Pascal Depresle

Si vient la brume, hâtez-vous, qu’elle ne vous entraîne au dernier rendez-vous, de rentrer en maison, qu’importe qui y vive, et volets calfeutrés, attendre que le soleil revienne.
Cette... [+]