De grijze wolf

il y a
6 min
0
lecture
431

Ik hou van geld. Geld is altijd mijn motor geweest. Toen ik jonger was, was het erger. Ik had altijd cash nodig, als ik bij mijn makkers was natuurlijk, maar vooral bij vrouwen gooide ik met geld… Wat heb ik niet uitgegeven aan kleren, en in nachtclubs aan champagne… En ik hoef er niet hypocriet over te doen, hé, het werkte ongelooflijk goed. Ik heb wat afgeneukt in die tijd, beste vriend. Soms driemaal in één nacht!

Daarom heb ik dit beroep gekozen. Nou ja, als je het al een beroep kunt noemen. Hoe het ook zij, wie naar scheepswrakken zoekt, doet dat altijd uit liefde: voor de oceaan, voor het verhaal, of voor het avontuur, het risico. Bij speelde dat allemaal mee, maar het was vooral de liefde voor de poen. Toch scheelde geen haar of mijn eerste expeditie was ook de laatste. Schenk je nog een glas rum in, dan vertel ik het.

Het gebeurde in Bretagne, en de jaren 1950 liepen op hun eind. Een andere tijd… ‘Kansen zat’, zoals mijn broertje zei. De ene dag waren we dokwerkers, de volgende dag vissers, en we waren erin geslaagd een mooi appeltje voor de dorst opzij te zetten. We zetten een eigen zaak op. Dat was de eerste stap: we waren onze eigen bazen. We waren dus de koning te rijk.

Op een avond in volle zee liep de lier vast toen we het sleepnet ophaalden. Het was ergens aan blijven haken. Ik dook om het vrij te maken. Het zat vast in de schroef, het roer en een onderdeel van de romp van een onderzeeër, de aandrijving of zo, die op een zandbank lag. Nee, de rest van de duikboot lag er niet, maar je hoefde geen geleerde te zijn om te weten dat hij het zonder dat stuk niet had kunnen redden. We speurden de omgeving af; in de buurt helde de zeebodem sterk af, zodat er een soort trog was ontstaan. We begrepen meteen wat er gebeurd was.
We gingen in de bib en in het maritiem museum op zoek naar informatie, en het drong tot ons door dat we misschien een schat hadden gevonden. In die tijd werden oorlogsobjecten tegen astronomische bedragen verkocht, zeker als het om zeldzame stukken ging. We vernamen ook dat sommige Duitse onderzeeërs codeerapparaten aan boord hadden om radioberichten te versleutelen: de beruchte Enigma-codeermachine. Een geheim toestel, dat de Duitsers vóór het einde van de oorlog hadden vernietigd… Kortom, onze vondst was een fortuin waard. Dus deden we een kleine investering: een schip hadden we al, we hadden alleen een scafander nodig. Ja, zo’n stram duikerspak met een helm, jo, het oude model, met de pijp die zuurstof aanvoert vanaf de pomp op de brug, de loden zolen… Goed, de hele uitrusting. We waren nog niet toegerust zoals tegenwoordig, geen sonar, niets van dat alles. We wisten alleen dat er op de bodem van die verdomde kloof een scheepswrak lag: we schatten dat de geul honderd meter diep was. Daar daal je niet in je eentje af, zonder ondersteuning. Je moet veel decompressiehaltes in acht nemen, en het risico op barotrauma is heel hoog. Terwijl de druk in het harnas altijd identiek blijft.

Een week later waren we terug, geankerd op dezelfde plaats. Ik geef toe dat ik toen geen grote mond opzette. Als ze de helm aan je harnas vastschroeven, kun je maar beter niet aan claustrofobie lijden. Als mijn broertje niet aan boord was geweest, zou ik niet hebben gedoken. Oké, ja, ik zou het toch hebben gedaan. Ik flipte, maar tegelijkertijd voelde ik me botergeil. De lokroep van de winst is een verdomde drug. Ik begrijp de gokkers…

Toen brak het moment aan om te duiken. Daar hang je dan, verdwaald in het midden van de oceaan, je ziet eruit als een op hol geslagen robot, die op het punt staat als een stomme steen de dieperik in te gaan. Je verlaat de veilige wereld en vastgemaakt aan je reddingslijn laat je je in de diepte wegzinken. Ik had nog nooit meer dan dertig meter diep gedoken. Op vijftig meter diepte kun je haast niets meer zien. Er heerst een bijtende kou, een absolute stilte. Je voelt dat je de wereld van de mensen verlaat. Naast je wemelt het van het leven, het is alsof je niet bestaat. Trouwens, op die plek en op dat moment ben je helemaal niets.

Op honderd meter diepte is het pikdonker. Ik drong steeds dieper de afgrond binnen, verstard maar ook een en al verwondering. Je zult het vreemd vinden, maar daar, verdwaald in een onmetelijke ruimte, ervaar je ook een bepaalde sereniteit.

En toch, op honderdvijftig meter diepte, zei ik bij mezelf ‘stop’. Het was waanzin. Terwijl ik strak naar mijn diepzeelamp keek, bad ik voor het eerst in mijn leven: ‘Alsjeblieft, ga niet uit.’ Voor ik een besluit had genomen, raakten mijn voeten de bodem. Ik moest me op zowat honderdtachtig meter onder de zeespiegel bevinden.

Ik weet niet hoelang het duurde voor ik het schip vond. Ik had geen notie van tijd en ruimte, alsof die niet meer bestonden. Ik bevond me in… de eeuwigheid. In elk geval doemde op een gegeven moment de donkere, ijzige massa van de U-421 voor me op, onheilspellend monster dat in een eeuwige slaap was verzonken, waarvan het bestaan door de geschiedenis werd ontkend, en dat rustte in de afgrondelijke vergetelheid van de Atlantische Oceaan. Nooit had ik me zo onbeduidend gevoeld. Het betrof een Duitse onderzeeër – een van de beruchte ‘grijze wolven’ van de Führer – die waarschijnlijk werd getroffen door een mijn of torpedo van de Royal Navy.

Hij was vanaf de achterste sectie opengereten. Vooral de beperkte ruimte in het gevaarte viel me op. Je mocht geen angsthaas zijn om in volle oorlog in zo’n tuig de diepzee te doorkruisen. Van buitenaf ziet het er groot uit, maar binnenin lijk je je in een conservenblik voort te bewegen. Ik trof een eerste dooie aan in een piepkleine slaapzaal. Nou ja, een door zout aangevreten hoop botten, waarin je niettemin een menselijk skelet herkende. Hij was vast gestorven op het moment van de explosie.

Ik liep voorzichtig verder, voortdurend de luchttoevoer in de gaten houdend. Vlakbij stond een generator, daarna bereikte ik de machinekamer. Ik telde elf personen. Op dat moment, omringd door al die doden, besef je welke gruwel die jongens hebben doorstaan. Ze wisten vast en zeker dat het met ze gedaan was.

Daarna doorkruiste ik de mess, bereikte de woonkamer, daarna de vertrekken van de officiers. Misschien zou ik het Enigmatoestel daar vinden. Toen ik de cabine van de commandant binnenkwam, begon de duikboot te schommelen. Echt waar. Ik verloor het evenwicht en viel op de grond. Onmogelijk om op te staan. Een verdomde schildpad op zijn rug die met zijn pootjes zwaait, dat was ik! Probleempje: ik had mijn reddingslijn achtergelaten bij het eerste compartiment. Yep, ik kon die niet meezeulen als ik het wrak wilde verkennen, ik had mijn beide handen nodig. En trouwens, wat had mijn broer kunnen doen? Als hij de lier in beweging had gezet, had ik achter een deur geklemd kunnen raken, de luchtpijp kunnen losrukken…
Na een paar tellen werd ik overvallen door de onverbiddelijke vijand van de duiker, de paniek die haar spinnenpoten losliet op mijn borstkas en mijn hart en longen beklemde. Ik stikte. Een beetje lucht, snel! Langzaam schoof een waas voor mijn ogen.

Toen voelde ik dat men me hielp om op te staan. Het skelet van de commandant stond voor me en twee van zijn mannen trokken me overeind. In de verte hoorde ik volksmuziek: een viool, een fluit en een tamboerijn die een soort gigue speelden. Lievejezus, dacht ik. Dat was het dan, het is afgelopen. Ik stikte. Ze vergezelden me naar de mess, waar alle manschappen een noodlottige erehaag vormden. De kapitein zette een paar danspasjes, ik bootste hem na. De matrozen applaudisseerden. Er hing een warme, maar weemoedige sfeer. Vervolgens kreeg ik een koffertje waarin het zo begeerde apparaat zat en een fles van de goddelijke nectar die we op dit eigenste ogenblik soldaat maken.

Daarna, doek. Ik herinner me alleen de laatste meters van mijn terugkeer en de frisse lucht die mijn longen bereikte toen ik bovenkwam, terwijl ik in trance naar het koffertje keek. Daarna is mijn broer afgedaald, zonder dat hij iets abnormaals zag. Of toch: we waren rijk. Het was onze eerste grote buit.

Ik heb het er met hem over gehad, en later met een psycholoog. Ze stelden allebei dezelfde diagnose: dieptedronkenschap. Maar ik zeg je één ding, maatje; ik weet wat ik die dag heb beleefd, elke atoom van mijn lichaam weet het, en dat was het niet. Nee: zo hebben die kereltjes me bedankt omdat ik hen uit de vergetelheid heb gehaald.

431

Vous aimerez aussi !